(dit is een oude post van 23 februari 2026)
Het is vrijdag de dertiende als ik de kou trotseer met mijn neus verborgen in mijn rode sjaal en mijn handen in de zakken van mijn jas. Ik voel mijn hart kloppen in mijn keel en vraag me af of ik wel op tijd ben – ook al vertrok ik ruim van te voren. Ik versnel mijn pas om vervolgens, inderdaad, alsnog ruim op tijd aan te komen bij het oude pand aan het water.
Het is even zoeken hoe ik binnen moet komen. Na een mislukte poging om te trekken, en daarna natuurlijk te duwen, komt mijn dans met de grote voordeur ten einde doordat ik in mijn ooghoek een bel spot. Ik druk hem in. Een receptioniste doet de deur open en verwelkomt me. Ze heeft haar donkere haar vastgebonden en haar gezicht is bedekt met een grote glimlach. Ik mag mijn spullen in een kluisje leggen en dan plaatsnemen in de wachtruimte. Het is een fijne ruimte, haast een soort woonkamer. Er ligt tapijt, er staat een bank, en er is een soort eettafel met stoelen. Ik moet stiekem lachen als ik de Rubiks kubus zie liggen – ‘typisch’, denk ik.
Na een tijdje komt de verpleegkundig specialist me halen. Het is een kleine meneer met kortgeschoren haar en hij neemt me mee naar zijn kantoor. In de hoek staat een weegschaal, op zijn bureau ligt een bloeddrukmeter en in het midden van de ruimte staat een ronde tafel met stoelen eromheen, waar ik aan ga zitten. Hij gaat tegenover me zitten en vraagt me waarom ik hier zit.
Vervolgens hebben we een gesprek over mijn hele leven. We gaan er niet heel erg diep op in, maar toch vertel ik hem alles over mezelf. Het gesprek loopt vloeiend, ook al is hij intussen aan het meeschrijven. Daarna vraagt hij mijn lengte en gewicht, waardoor ik weer zweethanden krijg. Ik probeer zo nonchalant mogelijk het nummer te noemen dat ik voor het laatst op de weegschaal zag staan. Daarna meet hij mijn bloeddruk en mijn hypochondrische hoofd begint alweer aan te slaan. 100 gedachtes stromen door mijn hoofd, die gelukkig snel tot een halt worden gebracht door de woorden ‘je bloeddruk is prima’.
Vervolgens moet ik een klein, saai kamertje in. Er is net genoeg plek voor een kleine tafel en stoel, met in de hoek een lamp. Op de tafel staart een laptopscherm me aan. De Vrolijke Receptioniste die me in het begin begroette, legt me uit wat ik moet doen: op het grijze scherm verschijnen verschillende vormpjes. Dit kan een blauw rondje, een blauw vierkant, een rood rondje of een rood vierkant zijn. Als je dezelfde vorm met dezelfde kleur minimaal twee keer achter elkaar ziet verschijnen, moet je klikken. ‘Alles duidelijk?’. Ja, ik geloof van wel.
Ik moet een band om mijn hoofd doen zodat een sensor mijn bewegingen kan volgen. In mijn rechterhand krijg ik een soort clicker waarmee ik kan klikken zodra het moet. We doen een korte proefronde, en daarna verlaat de Vrolijke Receptioniste de ruimte. En dan begint het. Ik probeer zo goed mogelijk te focussen en verzin een soort riedeltje voor mezelf: ‘rood rond, rood vier, blauw vier, blauw rond,’ mompel ik zodra ik de vormpjes zie.
Ik vind het lastig om me te concentreren. Wat als ik de test te goed maak? Of dat ik het juist zo slecht doe, dat ik erachter kom dat ik superdom ben. Ook vraag ik me af of ik misschien te stil zit. Shit, ben ik nou net vergeten te klikken? Hoe lang duurt deze vreselijke test?
Na twintig minuten ben ik eindelijk klaar en mag ik uit het kamertje. De Vrolijke Receptioniste print mijn resultaten en ik mag weer wachten in de wachtruimte die op een woonkamer lijkt. Ik probeer wat voor me uit te staren om de tijd te doden. Terwijl ik wacht, komt er een jonge meneer binnen. Hij draagt een pilotenbril en is denk ik rond de mid/eind dertig (maar ik ben heel slecht in leeftijden schatten). Ik vraag me af of hij de psycholoog is met wie ik later een gesprek heb, maar volgens mij zeiden ze een vrouwennaam dus dat zal wel niet. Het is stil in de ruimte. Hij wacht tot de Vrolijke Receptioniste klaar is met bellen en staat aan haar bureau.
Moet ik met deze meneer praten? Vragen hoe het gaat? Zit ik wel rustig genoeg? Ik besluit heel casual in een boekje te bladeren zodat ik normaal overkom. Want dat doen normale mensen toch? Een beetje bladeren, een beetje om zich heen kijken? ‘Kijk mij, ik ben niet gek hoor!’
Gelukkig is de Vrolijke Receptioniste klaar met bellen. De man met de pilotenbril zegt tegen haar dat de deurklink boven bij zijn kantoor niet meer goed werkt. Intussen kan ik alleen maar denken aan de last die van mijn schouders valt: ik hoef de door mezelf opgelegde taak om de ongemakkelijkheid te doorbreken, niet meer te volbrengen. Totdat de man zich omdraait en zijn hand uitsteekt: ‘Ben jij Roos?’
Ik raap mezelf snel bij elkaar en zet mijn glimlach weer op. ‘Klopt!’ Het bleek toch de psycholoog te zijn. Samen lopen we een aantal trappen op, door het oude pand. De trap is bedekt met een roodfluwelen kleed en kraakt zelfs een beetje als we erop lopen. We lopen helemaal naar boven, naar zijn kantoor. De deurklink klemt inderdaad, dus hij gaat met een ruk open. Weer een klein kamertje.
In deze kamer staat een bureau met een laptop, en aan de andere kant een stoel waar ik op mag plaatsnemen. De Pilotenbril-Psycholoog glimlacht en zegt de beangstigende woorden ‘ik ga even heel eerlijk met je zijn, en je moet ook vooral eerlijk antwoorden’. Engere woorden kun je niet tegen me zeggen. Ik voel mijn hartslag omhooggaan, mijn handen zweten, de rillingen door mijn hele lijf lopen. ‘Wat ging er net door je hoofd toen ik beneden stond te wachten?’
Shit. Betrapt.
Ik leg hem uit wat er door mijn hoofd ging. Hij dacht al zoiets. Ik weet niet waarom, maar ik werd emotioneel. Iemand die me net twee minuten kent, prikt zo door me heen en geeft woorden aan de onzichtbare strijd die constant gaande is in mijn hoofd. Het toneelstuk dat ik al 26 jaar lang speel om zoveel mogelijk in mijn omgeving te passen, werkte plotseling niet meer. Het is alsof hij mijn vermomming van me af trok. Alsof Soldaat van Oranje er na al die verleningen opeens mee stopt. Het is kwetsbaar en naakt en eng. En stiekem voel ik ook opluchting: ik word gezien.
Ik probeer mezelf te bedaren terwijl ik een poging doe mijn trillende handen en benen in bedwang te houden. Hij stelt vragen, en ik geef antwoord. Pas na een tijdje merk ik dat hij intussen aan het vinken is op een roze Post-It. Toen zei hij dat hij af en toe een beetje met me aan het fucken was. Hoe hij eerder in de wachtruimte expres niets tegen mij zei. Of hoe hij in ons gesprek expres veel vroeg om te kijken wat er met me gebeurde. Spoiler alert: ik klapte dicht en kon niet zeggen hoe ik me voelde, waardoor ik weer bang was dat ik het verkeerde antwoord gaf. Hij zei dat het tegendeel waar was, en mijn gebrek aan woorden juist veelzeggend was.
Na een lange, emotionele, en vermoeiende ochtend had ik pauze in de als woonkamer vermomde wachtruimte. Ik kon een broodje pakken en intussen moest ik tijd doden totdat alle slimme mensen klaar waren met over mij te praten. Het leek een eeuwigheid te duren, maar uiteindelijk kwam daar een blonde vrouw naar beneden lopen die mijn naam zei. Zij bleek de psychiater te zijn.
Met een buik vol van het broodje zalm als lunch en een flinke dosis zenuwen als nagerecht, loop ik de mevrouw schaapachtig achterna. Mijn hart bonst. We lopen een verdieping omhoog richting haar kantoor en ik kan alleen maar denken aan het feit dat aan de andere kant van deze deur een nieuw hoofdstuk van mijn leven wacht. Haar kantoor is licht met veel grote ramen. Weer een bureau met een computer, met aan de andere kant een stoel waar ik op mag plaatsnemen. Ze stelt me een aantal vragen, korter dit keer. Weer hoop ik dat ik de goede antwoorden geef.
Bij elke vinger die op haar toetsenbord landt worden mijn zenuwen groter. Tik, tik, tik.
Dan kijkt ze me aan met een glimlach, haalt me van mijn podium, stuurt het publiek naar huis, en ontheft me uit mijn functie als actrice. Maar in plaats van te zeggen dat ik ben ontslagen, zegt ze de verlossende woorden: ‘Je hebt ADHD’.
